Omdat er geen papier beschikbaar was tijdens de oorlog schreef, mijn opa Sjeng Bertjens, op de lege bladzijden met potlood zijn verhaal.
13 oktober 1944, belevenissen uit de oorlog: de duikers in het Leudal door de beek gejaagd nadien was het in het bos niet meer uit te houden. De nacht was mooi maar de dag was regen en bitter koud. Er is toen een gat gegraven in de houtschuur van Coenen, Molenstraat 51. Die heeft Coenen zelf gemaakt. Het was een gat van 4 meter lang en 1 meter breed. Daar zaten we met 9 man in. We moesten er onze behoeften doen. Door een kleine opening kropen we erin. Waar we erin kropen werd een plaat gelegd met grote takkenbossen erop zodat het niet te zien was. ’s Morgens om 5 uur erin en ’s avonds als het donker was eruit. Soms wat vroeger en soms wat later. Zo hebben we gezeten tot 16 november ’s middags om 1 uur. De Engelsen kwamen en achter de rug was het onderduiken. We waren blij. De eigen teelt werd verruild voor lekkere Engelse sigaretten.
In het gat was het koud maar in het bos was het nog slechter. Daar joegen ze ons door de beek toch hebben de Duitsers ons niet gekregen. Geroofd hebben ze tot de laatste nacht toe, alles stalen ze wat ze maar vinden konden, het waren beesten. Bij ons haalden ze de laatste zondag voor de bevrijding nog een zeug en twee vette varkens weg. Mijn moeder was ziek en had geen vlees meer en ze heeft dan ook van de vrijheid niet veel plezier mogen hebben en is in maart op St. Josefsdag 1945 gestorven. Zij was de eerste waarvoor de doodsklokken luidden na de bevrijding want in de bezettingstijd mocht de klok niet luiden.
Tijdens de onderduikerstijd hebben we bij Coenen het eten gekregen, het was juist een gaarkeuken maar ze deden het met plezier, ze hebben ooit gekookt voor 14 man en het smaakte goed. We waren heel erg blij dat alles achter de rug was.
In de onderduikerstijd bracht de pastoor van Nunhem de jongens overal de heilige communie tot dat hij zelf moest onderduiken want ook de geestelijke lieten ze niet met rust. Het was pastoor Adams die dit werk deed. Hij was niet bang voor de Duitsers. Later waren de Duitsers aan beesten gelijk toen moest alles onderduiken. Zo hebben we allen veel meegemaakt, gelukkig dat het voorbij is.
Ook benoemde hij dat in oktober 1944 de Nunhemse mannen werden opgepakt en naar Duitsland afgevoerd. Zelf is hij met geluk aan de Duitsers ontsprongen (Bertjens Coenen Caris Loven Caris) op Rijksweg en in Giesenven. Het huis van de familie Boonen aan de Rijksweg werd in brand gestoken.
Hij noemde de bombardementen op 10 en 15 november 1944 toen de Duitsers de schoorsteen van het Steenfabriek te Buggenum en de kerktoren van Haelen hebben laten springen. Daarnaast staat ook de dood van Piet Smeets die door een bom zwaar getroffen werd in Ghoorenkamp en Pierre Caris die in het kamp te Weimar Bugenwald overleden is genoemd. Een klein stukje herinnering uit het eigen dagboek van mijn opa Sjeng Bertjens.
En zo is onze Herinnering (Nathalie van der Zande, 2002)
Diep weggestopt tussen gedachten
Ligt nog steeds die herinnering
Aan een zwart en grauw verleden
Vol angst en marteling
Maar wie houdt de herinnering levend
Als niemand die nog bij zich draagt
Wie zorgt dat er niet wordt vergeten
Dat de herinnering niet wordt weggejaagd
Elk jaar er aan denken
2 minuten, heeft dat zin?
Even stilstaan bij wat geweest is
Het is niet veel, maar een begin.
Dorien Peeters

